Grof geschut, die woorden. Ze rolden daarnet spontaan uit mijn mond tijdens een gesprek over bore-out en hoe daarmee om te gaan op het werk. De vraag die ik trachtte te beantwoorden was hoe het komt dat het zo moeilijk is om met je leidinggevende of werkgever over (chronische) verveling op het werk te praten. Naast tal van andere redenen haalde ik als argument aan dat je als medewerker vaak niet in kan schatten of je leidinggevende je kwetsbare bekentenis als munitie tegen je zal inzetten of als motivatie om samen naar passend werk voor je te zoeken.

Een menselijke kwestie, net als vele andere die het praten over intense verveling op het werk, als werkzoekende of (langdurig) zieke bemoeilijkt. Ik denk dat we met wederzijds begrip (of op z’n minst de intentie om daar te komen) al heel wat leed kunnen vermijden. En dat hoeft in geen wettekst gegoten te worden, dat heeft niets met extra controles of strenge (ziektewet-)procedures te maken, daar helpen geen ellenlange enquêtes voor. Nee, dit ligt binnen hartbereik voor ieder van ons. Het vraagt wat inspanning en oefening, ja soms zelfs wat durf om eens goed te voelen ‘Wat heb ik nodig nu?’, vervolgens te kijken ‘Wat zou ik er zelf aan kunnen doen?’ en dit tot slot te benoemen. Of je nu medewerker, collega of leidinggevende bent.